Hoopen, Paul Hugo ten

Hoopen, Paul Hugo ten Paul Hugo ten Hoopen

 

 

&nb

  • Naam: Paul Hugo ten Hoopen
  • Geboren Doetinchem 1927
  • ‘Je moet weten wat er geweest is, anders kun je niets nieuws maken’

    Paul Hugo ten Hoopen, ver in de tachtig, maar als altijd alert, uitgesproken en even vaardig met het woord als met verf en penseel. Op zo’n leeftijd maak je deel uit van de kunstgeschiedenis. Maak je geschiedenis mee en geef je er vorm aan. Als leerling van onder meer Kokoschka, als vrij kunstenaar, en als leraar ben je een schakel in een continuüm. De expositie in Domburg is er één in een zeer lange rij. Maar elke tentoonstelling heeft zijn belang, vindt de schilder.

    Hij laat in Domburg werken zien die hij in Nice heeft gemaakt, want daar heeft hij nog steeds een atelierruimte. Maar ook toont hij Zeeuws werk. Een van die Zeeuwse werken is meteen typerend voor zijn schilderfilosofie. ‘Het is eigenlijk een variatie op het beroemde verhaal van Maarten Biesheuvel’, zegt Ten Hoopen. ‘Brommer op zee heet dat verhaal. Ik stond boven op het duin en zag een jongen op een brommer. Hij reed heel hard over het strand. Ik moest aan dat verhaal van Biesheuvel denken, en ik maakte er een schilderij van.’

    Ten Hoopen kende Biesheuvel persoonlijk, en ook diens vriend Karel van het Reve, overigens. In zijn leven loopt de literatuur parallel aan de beeldende kunst. In 1952 publiceerde hij gedichten in Libertinage, het literair tijdschrift van G.A. van Oorschot (zie hieronder.) ‘Ik was in Amsterdam verbonden met wat nu wel heet: het naoorlogs Amsterdamse realisme. Ik was vrienden met Nicolaas Wijnberg en Hans van Norden. We exposeerden in galerie Floret, die meestal werd aangeduid als Achter Tingel Tangel. Dat was een expositieruimte achter het cabaret van Sieto Hoving, dat zoals u misschien weet Tingel Tangel heette. In deze kringen kwam Karel van het Reve ook vaak. Hij had een erg goed gevoel voor humor. Ik kan me nog herinneren dat Peter Vos een tekening had gemaakt en daarop zag je een biljart met Toulouse Lautrec er bovenop en Rembrandt die er naar stond te kijken. Dat vond hij bijzonder leuk. Van het Reve kon goed observeren  en noteren. Dat merk je als je zijn werk leest. Zelf publiceerde ik ook. Onder meer Fragmenten en ander ongerief. Ook later nog. Bijvoorbeeld in 2013 In de marge van de dode man. Dat klinkt luguberder dan het is. Dode man slaat op een wijngaard in Frankrijk met de naam L’homme mort. Daar was ik in het najaar, met al die kleuren... Oker. Bruin. Tegen een grijs-blauwe lucht... Dat is zo mooi.’

    Zo’n waarneming kan dus net zo goed aanleiding geven tot een gedicht of beschouwing als tot een schilderij. De natuur inspireert altijd. ‘Maar plein air-schilderen doe ik niet. Eén keer, in Drenthe toen ik nog heel jong was. De hele zaak waaide weg. Ik had een veel te groot formaat meegenomen. Ik werk sindsdien nooit meer met olieverf in de open lucht. Wel met aquarel en ik teken buiten heel veel. Tekenen is de basis. Op de academie gaf ik ook in eerste instantie tekenen. Dat was ook de opvatting van de jaren zestig hè, dat alles begint met de tekening.’

    Ten Hoopen is geboren in de Achterhoek, als zoon van een kunstschilder. Als hij er over vertelt komt het oostelijk accent weer een beetje terug. Terwijl zijn vader voor de ezel zat kroop de zoon onder tafel. Papier en een potlood waren altijd in huis. ‘Ik probeerde de bewegingen van mijn vader na te doen’, zegt Ten Hoopen. ‘Toen kwam de oorlog en mijn vader vond het beter dat ik naar de kweekschool ging, het onderwijs in. Hij dacht dat ik dan wellicht niet naar Duitsland zou hoeven. Ik haalde de akte tekenen. Voor het examen moest je dan naar Den Haag. Daarna ging ik naar Amsterdam, via Utrecht overigens. Daar heb ik ook nog les gegeven. Ik sloop langzaam als een muis naar het grote pak met melk, Amsterdam. Daar kende ik al gauw veel collega’s. Er was een club, De Werkschuit. Hans Snoek, de danseres. Nicolaas Wijnberg en Hans van Norden. Ze richtten het Scapinoballet op. Kijk, Van Norden en Wijnberg hadden onder Campendonck op de Rijksacademie gestudeerd. Van hem hadden ze geleerd hoe je op grote oppervlakten werkt, monumentaal. Dus bijvoorbeeld in de toneeldecors. Ik heb dat trouwens ook nog wel gedaan. Een enorme wandschildering op een ambachtsschool in Velzen. Die jongens daar, die waren voorbestemd voor de Hoogovens. Enorme wand in de aula, waar ze aten. Je zag het Noordzeekanaal. Ze gooiden er rommel tegen aan, kan je je voorstellen, zulke jongens. Later is het overgeschilderd. Vond ik goed... Zo gaat dat.’

    In die begintijd maakte Ten Hoopen grote doeken. Er was in Amsterdam, een expositievereniging, De Keerkring. ‘Karel Appel zat daarbij, en ook de Limburgse Amsterdammers, Lataster, Defesche. Jaap Kuiper, die met Liesje Sluijters was getrouwd zat er bij. Een van zijn zoons heeft volgens mij nog een schilderijtje van Karel Appel uit die periode. Het was nog vóór CoBrA. Het waren felle jongens. We hadden de gewoonte portretten van elkaar te maken. Maar Appel wou Constant niet schilderen. Die estheet, die doe ik niet, zei hij smalend. Komt mooi uit, zei Constant, want ik poseer niet voor die behanger. Dat was omstreeks de tijd dat CoBrA ontstond. Hoe ik daar tegenaan keek? Ik besefte dat het wel iets wezenlijks voorstelde, maar zelf koos ik niet voor die benadering. Het was mij te specifiek. Ik bewonderde het, maar het was niets voor mij. Ik voelde me meer thuis bij Matisse, De Staël en de naoorlogse Franse schilders.’

    Ten Hoopen trok – natuurlijk – naar Parijs. Met een vriend op de fiets. ‘Geen schildervriend, maar een literaire vriend. We deden er vier dagen over. De stadjes en dorpen lagen meestal in een dal. We leerden al gauw dat je bij de lunch niet te veel wijn moest drinken, want dan kwam je het dal niet meer uit. In Parijs gingen we natuurlijk naar kunst kijken, ook naar oude kunst in het Louvre, dat was zondags gratis toegankelijk. Maar we gingen ook vanwege de literatuur.’

    De verbinding met het woord is een rode draad. Het beeldend werk is zeker beïnvloed door het literaire talent van Ten Hoopen, maar het is beslist geen anekdotische kunst. Zijn gedichten hebben eerder een beeldende inslag dan zijn beelden een literaire.

    In Amsterdam was Ten Hoopen behalve vrij kunstenaar ook leraar. ‘Ik was een soort oproepleraar bij de gemeente Amsterdam. Ik had genoeg tijd voor mijn eigenlijke werk. Toch was het lesgeven heel aardig, zeker als je goede leerlingen had. Toen ik later hoogleraar was op de Rijksacademie kwam ik nog wel eens een student tegen die ik ook op de middelbare school had gehad. Ik werd gevraagd voor de Rijksacademie. Ik werd benaderd door de directeur. Ik dacht: die wil zeker iets weten over De Keerkring. Maar ze vroegen mij als docent.’

    Begin jaren zestig was een roerige tijd. De kunsten stonden onder kritiek van de aanstormende jeugd. Die gooide tomaten naar de acteurs en verstoorde muziekconcerten. Ook aan de academie was het onrustig. Het was tijd voor een nieuwe generatie docenten, docenten die fris aankeken tegen onderwijs en ontplooiing. ‘Er was niets toen ik begon’, zegt Ten Hoopen. ‘Geen leerplan, niets. Dat ben ik toen gaan maken. En dat ging mij vrij  aardig af. Tekenen is de basis. Iedere leerling kreeg tekenles, en daarna kozen ze voor het vervolg: schilderen, of grafiek of beeldhouwen. Ondanks de snelle veranderingen bleven de leerlingen toch wel gemotiveerd voor techniek. Ik zat ook in de toelatingscommissie. Van de honderd aanmeldingen werden er maar tien toegelaten. Ik vind het moeilijk te zeggen waarin de Amsterdamse academie zich nu onderscheidde. In Den Haag waren ze ook realistisch bezig, maar meer van de scherpe hoek. Maar: ik werkte in deeltijd. Ik deed het samen met een collega. In de eerste plaats was, en ben ik nog steeds, een vrije schilder. Ik exposeerde meermaals in het Stedelijk. Die kocht ook werk van mij aan. Wat ik toen maakte was een beetje in de richting van het Vlaams expressionisme. Maar misschien ook wel met Franse invloeden. Misschien heeft het te maken met het feit dat in uit de Achterhoek kom. Ik was ook wel Duits georiënteerd. Ik ging in 1957 naar Salzburg. Daar had Kokoschka zijn Schule des Sehens. Heel bijzonder. Kokoschka was toen al wat ouder en rustiger. Hij was er heel vaak. Hij bekeek je werk. Als het goed was gaf hij je een bonbon, of je werk werd er uit gehaald. Manzu werkte daar ook, die kent u toch wel, de beeldhouwer.’

    In die jaren was Kokoschka op het toppunt van zijn kunnen, zoals we onlangs op de grote overzichtstentoonstelling hebben kunnen zien. Zijn expressionistische en controversiële werk van voor de oorlog was veranderd en hij hanteerde een nieuwe figuratie die ook zijn weerslag had op de Internationale Sommerakademie, zoals de zomerschool van Salzburg heette. ‘Je moest veel bewegend naakt tekenen’, zegt Ten Hoopen. ‘Hele korte standen. Een vrouwelijk model met een appel naast zich op de grond. Eva. Ze pakt voorzichtig de appel op, richt haar arm op, haar bovenlichaam, gaat staan, strekt de arm met de appel. En doet dan hetzelfde in omgekeerde richting tot ze weer in de uitgangspositie zit. En dan maar heel snel schetsen. Ik ben dat later in Amsterdam ook gaan doen. Maar ik gaf daar ook compositielessen.’

    Een van de werken die in Domburg te zien zijn is een parafrase op een schilderij van de Renaissanceschilder Giorgione. Daarop zie je muzikanten in de vrije natuur. De variatie op bestaande kunst was ook op de academie een goede manier om de leerlingen te trainen in compositie. Neem een klassiek schilderij als uitgangspunt en kijk wat je er in kunt veranderen. Zo leg je ook contact met de voorgangers. ‘Nieuwe kunst bestaat in zekere zin niet’, zegt Ten Hoopen. ‘Je moet weten wat er geweest is, anders kun je niets nieuws maken.’

    In 1985 stopte Ten Hoopen met doceren. Daarmee kon hij zich weer volkomen aan de vrije kunst wijden. Hij bleef af en toe teksten produceren. Ook beschouwingen waarin hij het wezen van de schilderkunst analyseert, of, half in proza, half in poëzie, de manieren om te schilderen analyseert. Er zijn de virtuozen die in een flits het landschap doorzien en het in hun materiaal snel weergeven. Maar er zijn ook schilders die het landschap in grote lijnen traceren en de objecten waaruit de werkelijkheid bestaat analyseren en als een puzzel weer ineenpassen. Cézanne is een voorbeeld van die categorie. Men zou kunnen zeggen bij de eerste categorie: eerst voelen, gelijk weergeven, en bij de tweede: eerst snappen en dan weergeven.

    Ten Hoopen behoort tot de tweede categorie. Hij analyseert en vat samen wat de essentie in het beeld is. Tussen deze twee uitersten bevindt zich wat Ten Hoopen noemt ‘het logge middenveld’. Een waardeoordeel blijft achterwege. Het een is niet beter dan het andere; het is anders. ‘Zo filosoferend over heg en steg begin ik met penseel, verf en water aan mijn avontuur met het landschap’, schreef hij ergens. ‘Zó componeren dat er ruimte ontstaat with reverie and invention, zoals Virginia Woolf schreef.’

    Ten Hoopen: ‘Ik ben nu oud, maar ik ben nog steeds enthousiast over kunst. Over oude kunst en nieuwe kunst. Ik heb laatst de Rembrandttentoonstelling gezien. Maar ook over de aankomende kunstenaars.’

    Zelf blijft hij volop actief. Met penseel, en met de pen. En altijd met geest. Bij een opening van een tentoonstelling in 2013 staat in de uitnodiging:

    Geen Appel, Mangold of Breitner

    kun je bij Arti kopen;

    maar wel op Rokin 114 een meesterwerkje

    voor een krats van Ten Hoopen.

      

    Gedicht (1953)

     

    Mijn dagboek heb je volgeschreven

     rood groen rood groen

     de coccen van Miro

     vullen bladzij na bladzij

     je schildert met woorden

     en je acteert met

     je monotone verbijstering:

     eens zal hij worden gehoord

     

     

    Geloof je nu nog steeds

     aan die mystieke mest

     aan al die zwevende jaren

     die wij hebben geradbraakt

     aan het treinstel illusies

     dat wij eenvoudig negeerden

     omdat zij zich zo dikwijls in preken likkebaarden

     in usum Delphini

     

     

    waarom schrijf je niet iets

     als de comedie humaine

     zodat ik je kan ruiken

     zodat ik je kan horen lachen

     zodat ik je kan zien huilen

     in de zon in de warme middag

     en zo nu en dan in de schaduw

     die geen afbreuk doet aan je eerlijkheid

     

    (Paul Hugo ten Hoopen)

     dit artikel verscheen in het Studio 2000 magazine 2015/2

 

 

 


Paul Hugo ten Hoopen

Geboren: Doetinchem 1927.

Werken van Paul Hugo ten Hoopen (1927-)

Pleintje aan zee met paviljoen
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Verkocht
De Siësta, 2003
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Gezicht op havenhoofd, Nice, 2002
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Vondelbrug en bloeiende boom, 1998/99
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Rivièra-landschap, La Ciotat 1988
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Bretonse kust, 1998
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Zeedennen Bretagne, 1996
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Interieur, venster met veerboot, 1977
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Croisette, Cannes bij nacht, 2002
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Winterse kaai in Gent, 2005
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Vondelpark met paviljoen, 2010
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Limburgs landschap, 1990-91
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Strandpaviljoen, 1993
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Duizend en één nacht, 1991
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Nachtatelier, 1993
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Park met fontein, Perpignan 1994
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Twee vrouwen met mandala
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Marine, 1995
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Route-National, 1991
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Park aan zee, Le Ciotat 1998
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Leunende vrouw, 1970
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Souvenir D'Antibes
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)
Schilder met model
Paul Hugo ten Hoopen (1927-)