Cramer, Marie (Rie)

Cramer, Marie (Rie) Marie (Rie) Cramer

(Sukabumi, Indonesië 1887-1977 Laren, N-H)

 

Rie Cramer kwam op negenjarige leeftijd vanuit Indonesië naar Nederland en genoot een opleiding aan de Haagse Academie voor beeldende kunsten, kreeg les van Willem van Konijnenburg en ontwikkelde zich tot één van Nederlands bekendste illustratoren.

De invloed van Van Konijnenburg is te zien in Cramers composities en in haar stilering. Veel van haar afbeeldingen hebben iets mystieks, zoals haar illustraties in Vertellingen uit 1001 nacht (1921) van Nienke van Hichtum.

 

Hoewel Cramer bekend staat om haar illustraties schreef ze ook kinderverhalen, en later romans, toneelstukken en hoorspelen onder de pseudoniemen Marc Holman en Annie Smit. Hiernaast maakte Cramer ook aardewerk, decors en kostuums. Aanvankelijk werkte ze in blauw-paarse kleuren en tekende ze sprookjesachtige landschappen in zachte, door elkaar vloeiende kleuren. Later werd haar werk gestileerder en gebruikte Cramer voornamelijk primaire kleuren.

 

Onderstaand artikel verscheen in het Sudio 2000 Magazine, jaargang 15, nummer 4, november 2009

 

 

Illustreren: een kunst apart

 

De kunst van het illustreren heeft van oudsher minder status dan vrije beeldende kunst. Er bestaat een spanningsveld tussen meer dienende illustraties en Kunst met een grote K, en het tekenen in de toegepaste hoek roept meer associatie op met industrie en handel dan met hoge artisticiteit.[1] Toch zijn illustraties vaak zeer de moeite waard. Een goede illustrator kan meestal goed tekenen – wat voor een Kunstenaar niet altijd opgaat. Het grote verschil is dat een illustrator meestal heel direct werkt: het gaat vaak om iets algemeen herkenbaars. Dat collectieve aspect maakt dat de illustratie direct aankomt bij de kijker.

 

Studio 2000 heeft enkele werken van illustratrice Rie Cramer (Java 1887 – Laren 1977) in haar bezit. Cramer genoot een opleiding aan de Haagse Academie voor beeldende kunsten, kreeg les van Willem van Konijnenburg en ontwikkelde zich tot één van Nederlands bekendste illustratoren. Aan de hand van werken van Cramer bekijken we het vakgebied illustratie in de eerste helft van de twintigste eeuw. De lijn met het heden wordt getrokken door een gesprek met de nieuwe Bijzonder Hoogleraar Illustratie, prof. dr. Saskia de Bodt. Op de dag van verschijnen van dit magazine houdt De Bodt, universitair docent aan de Universiteit Utrecht en nu ook hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, haar oratie over onder meer het spanningsveld tussen kunst en illustratie. Met het uitspreken van de rede ‘Van Poe tot Pooh. Illustreren om je penselen te kunnen betalen?’ aanvaardt De Bodt haar hoogleraarsambt dat mogelijk is gemaakt is door de Stichting Fiep Westendorp Foundation.

 

 

Rie Cramer

Rie Cramer werd in 1887 geboren in Soekaboemi in Indonesië.[2] Op negenjarige leeftijd kwam ze met haar familie naar Nederland. In Arnhem volgde ze een tekenopleiding bij ‘Kunstoefening’, en tussen 1905 en 1907 in Den Haag werd ze opgeleid aan de Academie voor beeldende kunsten. Eén van haar leraren was de belangrijke Haagse kunstenaar Willem van Konijnenburg. Zijn invloed deed zich gelden in Cramers composities en in haar stilering. Die invloed werd echt duidelijk toen ze afweek van de voor haar aanvankelijk zo kenmerkende vloeiende lijn. De lijn werd hoekiger en de sfeer in haar afbeeldingen kreeg iets mystieks, zoals in de illustraties in Vertellingen uit 1001 nacht (1921) van Nienke van Hichtum. Van haar andere leraar Jan Veldheer leerde ze de grafische technieken waar ze zo om geroemd zou worden. Hoewel Cramer bekend staat om haar illustraties schreef ze ook kinderverhalen, en later romans, toneelstukken en hoorspelen onder de pseudoniemen Marc Holman en Annie Smit. Zelf zei Cramer dat ze was begonnen met schrijven doordat ze de kinderpoëzie uit haar jeugd verschrikkelijk vond, en daarom zelf versjes ging schrijven. Hiernaast maakte Cramer ook aardewerk, decors en kostuums.

Aanvankelijk werkte Rie in blauw-paarse kleuren, zoals in de uitgave van de sprookjes van Andersen in 1916, en tekende ze sprookjesachtige landschappen in zachte, door elkaar vloeiende kleuren. Over haar werk werd geschreven dat zij ‘het karikaturale zo prachtig argeloos’ kon brengen.[3]

Later werd haar werk gestileerder en gebruikte Cramer voornamelijk primaire kleuren. Hoewel de artistieke kwaliteit van het vroege werk groter wordt genoemd dan dat van het latere werk, verwierf Rie Cramer bekendheid met de kinderfiguren voor onder andere de zogenaamde ‘Maandboeken’ in de jaren dertig.

 


Esthetiek

De tekentraditie waarin Cramer werkte vond zijn oorsprong in de rond 1870 in Engeland opkomende nieuwe ideeën over het belang van goede kinderboeken. Vóór die tijd werden voor het kinderboek slechts kunstenaars van minder niveau aangetrokken en materiaal van mindere kwaliteit gebruikt. Kunstenaars als Walter Crane, Randolph Caldecott en Kate Greenaway zetten een grote verandering in. In het boek Prentenboeken, ideologie en illustratie van Saskia de Bodt en Jeroen Kapelle (2003) wordt de verandering beschreven. De Arts&Crafts beweging van William Morris zette een nieuwe manier van denken in over de rol van kinderboeken en over de productie ervan. Het beeld werd belangrijker: het moest esthetisch verantwoord en gestileerd zijn, en aansluiten bij de eigentijdse kunst van de Art Nouveau.

In Nederland vond de omslag plaats aan het einde van de negentiende eeuw. Nederlandse kinderboeken werden vervaardigd volgens de principes van de Engelse hervormers. De illustraties verbeeldden een esthetische fantasiewereld op perkament en in gedekte kleuren.[4]

De eerste serie die Rie Cramer maakte met illustraties voor de sprookjes van Hans Christian Andersen sluit hier sterk op aan. In die zelfde tijd maakte Cramer ook modetekeningen voor het op eigentijdse kunstnijverheid gerichte tijdschrift De Vrouw en haar Huis. Haar werk was ook hier geïnspireerd op de Engelse stijl, maar verwees ook al af en toe naar eigentijdse idealen.

 

 

De omslag en ontwikkeling

In de jaren dertig werd de toon gezet voor een ontwikkeling die de positie van de illustratoren tot op de dag van vandaag bepaalt.[5] Academies gaven gehoor aan de groeiende vraag naar illustratoren en begonnen opleidingen voor grafiek en vormgeving. Zelfs illustratie hoorde tot de mogelijkheden. Zo ontstond er een hele nieuwe beroepsgroep van professionele, allround illustratoren, die werkten op de grens van de vrije kunst. ‘Rie Cramer is een prachtig voorbeeld van een illustrator die al vroeg professioneel bezig was’, zeg Saskia de Bodt. ‘Ze werkte op vele fronten en altijd op  niveau.’

De jaren dertig zijn een voorafspiegeling van de jaren vijftig, toen vrijwel alles rijkelijk werd geïllustreerd. Rond 1950 won de expressie het van de esthetiek. De kleuren werden schreeuwender, de lijnen grover. ‘Dat zie je bijvoorbeeld ook aan de tweede versie van Rie Cramers illustraties voor sprookjes van Andersen’, aldus Saskia de Bodt, ‘geen pasteltinten meer, geen esthetiek, alles wordt directer.’

De losse stijl van illustreren weerspiegelt de mate van toegankelijkheid van de kinderboeken in de jaren vijftig en zestig. In de jaren zeventig vond een omslag plaats naar meer verantwoorde jeugdliteratuur. In navolging hiervan werden de illustraties steeds kunstzinniger, symbolischer en subtieler. De kinderboeken in de jaren tachtig en negentig weerspiegelden het postmoderne tijdperk: versnipperd, vrijblijvend en verscheidenheid zijn kernwoorden voor deze tijd.

 

 

Leerstoel Illustratie

De leerstoel Illustratie, geschiedenis van de grafische illustratie in het Nederlands taalgebied 1850 tot heden, omvat een nieuw vakgebied. In de rede van De Bodt op 13 november gaat ze na hoe het vak van illustrator zich heeft ontwikkeld op het snijvlak van de kunst enerzijds en de literatuur anderzijds. Ze constateert hoe ‘illustratie’, vanwege het narratieve aspect, het in de kunstgeschiedenis altijd heeft moeten afleggen tegen de autonome kunst en hoe literatuurhistorici en filologen het woord altijd boven het beeld hebben gesteld. De Bodt geeft invalshoeken en aanknopingspunten voor onderzoek in dit nieuwe vakgebied. Ze toont aan de hand van onder meer de illustraties bij de sprookjes van Andersen en de fantastische verhalen en gedichten van Edgar Allan Poe aan, dat juist het beeld bij teksten onverwachte informatie kan opleveren, bijvoorbeeld over beeldvorming in een bepaalde tijd. Ook stelt De Bodt de vraag of het niet vooral de plaatjes zijn die klassiekers als Alice in Wonderland, De Grote Vriendelijke Reus en Jip en Janneke zo lang actueel gehouden hebben. Beeld is universeler en veroudert minder snel dan tekst. Er zijn maar weinigen die nu nog werk van Vondel in de oorspronkelijke taal lezen, maar we staan wel collectief voor het werk van Rembrandt en tijdgenoten. Wordt het niet eens tijd dat we op school behalve ‘tekst verklaren’ ook ‘beeld verklaren’ krijgen?

 

 

Stichting Fiep Westendorp Foundation

De leerstoel Illustratie is ingesteld door de Stichting Fiep Westendorp Foundation, die de rechten van het werk van Westendorp beheert.

Fiep Westendorp (1916-2004), die in 1953 haar Jip en Janneke schiep bij de verhaaltjes van Annie M.G. Schmidt die in het Parool verschenen, wilde altijd al illustrator worden.

Westendorp ging na de HBS naar de Koninklijke School voor Kunst, Techniek en Ambacht in Den Bosch. Na haar eindexamen werd Fiep in 1938 toegelaten op de kunstacademie van Rotterdam, waar ze alle teken- en schildertechnieken beoefende. Naast haar beroemde illustraties van Jip en Janneke werkte Westendorp ook aan reclameopdrachten voor onder andere KLM. In de jaren zeventig en tachtig vormden haar tekeningen steeds vaker het uitgangspunt voor ‘merchandizing’.

‘Fiep Westendorp ondervond tijdens haar leven vaker dat illustratoren niet altijd even serieus werden genomen’, vertelt De Bodt. ‘Terwijl de schrijvers royalties kregen, werden illustratoren eenmalig voor hun tekeningen betaald, die dan soms eindeloos werden gebruikt. Fiep vond het belangrijk dat er aandacht zou worden besteed aan de positie van illustratoren, zowel nu als in het verleden.’

Naast het stimuleren van wetenschappelijk onderzoek steunt de Stichting Fiep Westendorp Foundation (FWF) kinderen die het moeilijk hebben door middel van producten van Westendorp. Zo hebben onder andere inmiddels twintig kinderziekenhuizen of kinderafdelingen van algemene ziekenhuizen een ‘Fiepspeelhoek’. Hiernaast ondersteunt de FWF onder andere projecten en initiatieven gericht op de kunstzinnige ontwikkeling van kinderen. Ook bestaat er een Fiep Westendorp Beurs voor veelbelovende jonge illustratoren.

 

 

Erkenning

Saskia de Bodt: ‘Illustratie vormt zo’n mooie bron voor onderzoek. Omdat illustraties doorgaans een groter publiek bereiken dan autonome kunst, is hun invloed groter, al is die niet altijd even gemakkelijk meetbaar.’ Binnen het nieuwe vakgebied op de universiteit hoopt De Bodt de komende jaren met haar studenten aan een serieuze geschiedenis van de illustratie in Nederland en Vlaanderen te werken. Hierdoor zullen kunstenaars als Rie Cramer, Fiep Westendorp en vele anderen binnen het vak illustratie erkenning krijgen en hopelijk als vanzelfsprekend opgenomen worden binnen de kunstgeschiedenis.

 

 

 

 

 

 


[1] Saskia de Bodt, Getekend, Hans Christian Andersen: zijn geïllustreerde sprookjes in de Lage Landen, Warnsveld 2005, p. 81.

[2] Rie Cramer, tentoonstellingscatalogus Singer Museum (Laren), Laren 1973.

[3] Laren 1973 (zie noot 2).

[4] De Bodt 2005 (zie noot 1), p. 39.

[5] De Bodt 2005 (zie noot 1), p. 49.

 

 

 

  • Naam: Marie (Rie) Cramer
  • Geboren Sukabumi 1887
  • Overleden Laren 1977
  • .

Marie (Rie) Cramer

Geboren: Sukabumi 1887.

Overleden: Laren 1977.

Werken van Marie (Rie) Cramer (1887-1977)

Sprookje
Marie (Rie) Cramer (1887-1977)
Verkocht